De Peuter 1 1/2 tot 3 jaar
Onze peutertijd was de eerste periode in onze ontwikkeling waarin we goed
genoeg uit de voeten konden om van degene die voor ons zorgde weg te lopen
en goed genoeg konden praten om te protesteren en dingen te weigeren. Het
was een tijd waarin de overgang van afhankelijkheid naar zelfstandigheid
begon.
Nu is dat een proces wat heel ons leven doorgaat, maar in die tijd was
het van wezenlijk belang: om een duidelijk besef te krijgen van wie JIJ was,
moest je leren hoe je grenzen moest trekken - en handhaven. Grenzen zijn
emotionele en lichamelijke scheidingslijnen tussen ons en wie voor ons
zorgen. Om zelfstandig te worden was het noodzakelijk dat we voelde dat we
een zekere macht over onszelf en onze omgeving hadden, en om dat gevoel te
krijgen moesten we NEE leren zeggen.
We leerden allerlei dingen aan, maar we leerden ook hoe we allerlei
dingen konden weigeren. Het feit dat degene die voor ons zorgde zeiden dat
we dit of dat moesten doen, betekende niet dat het ook perse moest. Ze
konden tegen ons zeggen "doe je jas aan"en dan konden wij NEE zeggen. Ze
konden zeggen 'eet je bord leeg" en weer konden wij NEE zeggen. Door nee te
zeggen trokken we een grens. Het was een manier waarop we onze
zelfstandigheid duidelijk konden maken. We leerden bovendien ook dat we JA
konden zeggen, en het feit dat we konden kiezen maakte ons gevoel en
onafhankelijkheid nog groter. Ook door het nee van de volwassenen in onze
omgeving leerde we wat grenzen waren. Hun nee gaf ons een begrenzing, gaf
ons een idee dat er iets van ons verwacht werd. Het was ook een manier om te
leren voelen dat er een scheiding bestond tussen onszelf en de omgeving. Als
ze tegen ons zeiden dat we de kachel niet aan mochten raken omdat deze heet
was, hielp dat ons onze eigen grenzen te leren kennen.
Als ze tegen ons zeiden dat we niet te ruw met andere kinderen mochten
omgaan, leerden ze ons iets over de grenzen van anderen. Door dit nee, ons
eigen nee, en dat van anderen, konden we gaan experimenteren: toegeven en
afhankelijk zijn of weerstand bieden en onafhankelijk zijn. Deze fase kan
vanwege de strijd tussen verzorger en peuter zeer vermoeiend zijn voor de
verzorger, maar is voor de ontwikkeling van het kind van cruciaal belang.
Zonder dit gevecht met je ouders kun je nooit aan deze zeer belangrijke
overgang naar zelfstandigheid beginnen. Om te kunnen aarzelen tussen
afhankelijkheid en zelfstandigheid had je ook aanmoediging nodig. Je moest
de mogelijkheid hebben je te gedragen als een groot kind, maar je moest ook
afhankelijk kunnen zijn. Je had een complimentje nodig wanneer je je alleen
aankleedde of zelf at, en begrip wanneer je daar geen zin in had. Je moest
weten dat je nee kon zeggen zonder dat je straf kreeg, en je moest nee te
horen krijgen als dat voor jou eigen veiligheid noodzakelijk was. Er zijn
maar weinig mensen die die aanmoedigingen hebben gekregen, want daarvoor
moesten je verzorgers bereid zijn je los te laten. Meestal stonden ze daar
tweeslachtig tegenover en gaven daarom dubbele boodschappen over zelfstandig
handelen.
Omdat ze hun eigen grenzen niet goed kenden, konden ze ons ook niet
helpen onze grenzen te trekken en te handhaven. Die dubbelslachtigheid en
verwarring kwam voort uit hun behoefte je of dichtbij en afhankelijk te
houden of weg te duwen en te dwingen tot grotere zelfstandigheid. Sommige
ouders gaan hier op een subtiele manier mee om, andere waren agressiever. De
manier waarop zij met hun verwarring omgingen was van grote invloed op de
mate waarin jij slaagde de vaardigheden van deze fase eigen te maken. Als bv
degene die voor jou zorgde iedere keer dat jij nee zei, vertelde dat ze
verdriet had daardoor, zich afgewezen voelde of bang was dat hij of zei het
gezag over je verloor, zul je deze vaardigheden waarschijnlijk niet goed
onder de knie hebben gekregen. Je zult, toen je eenmaal begrepen had dat je
geen uiting kon geven aan je afhankelijkheid zonder andere verdriet te doen
geleerd hebben je individualiteit te onderdrukken en je te gedragen zoals
die ander van je verwachtte.
De boodschap die je kreeg was dat de behoeften van je verzorgers
belangrijker waren dan die van jou. De vervulling van je eigen behoeftes
opofferen voor de vervulling van die van een ander wordt dan een patroon dat
je tot in je volwassen leven en tot in iedere intieme relatie die je
aangaat, blijft achtervolgen. Als je, als je onafhankelijk probeerde te
zijn, uitgelachen, geslagen of aan je lot overgelaten werd, reageerde je
misschien daarop met rebellie, een woedeaanval of je in jezelf terugtrekken.
Dat leidde dan vervolgens tot verdere vernederingen, in de steek gelaten
worden of straf. Waarschijnlijk zal dan op volwassen leeftijd je behoefte
aan onafhankelijkheid de angst oproepen dat dat weer zal gebeuren.
Afhankelijk blijven kun je echter ook niet, omdat dat leidt tot een gevoel
van verstikking en ontevredenheid. Als daarentegen degene die voor je zorgt
juist graag wilde dat je zelfstandig werd, zul je die scheidingslijn tussen
jou en de ander misschien hebben moeten trekken terwijl je daar eigenlijk
nog niet aan toe was. In beide gevallen zal het trauma even groot zijn.
Mogelijke problemen uit deze ontwikkelingsfase:
Geen nee kunnen zeggen tegen vrienden uit angst dat ze je niet meer mogen
Geen grenzen kunnen stellen in je werk uit angst voor ontslag
Het moeilijk vinden om te vertellen hoe je je voelt uit angst dat je
vernederd of afgewezen zult worden
Het benauwd krijgen als iemand te dichtbij komt (lichamelijk, gevoelens)
Je te kort voelen schieten als je een vriend of vriendin die van streek
is niet kan opbeuren